Kind en Hypnose

Klik hier om naar de vorige pagina te gaan

Door Barbelo Uijtenbogaardt

Barbelo Uijtenbogaardt heeft pedagogiek gestudeerd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, zij is docent raja-yoga, hypnotherapeut en docent hypnotherapie. Naast het werken met volwassenen werkt zij al 24 jaar met kinderen. Zij maakt gebruik van hypnose en van een van de methode van Simonton afgeleide behandeling voor kinderen en volwassenen.

Vanuit Amerika zijn verschillende ontspanningsoefeningen en visualisatie-technieken overgekomen. De methode van Simonton is daar een voorbeeld van. De techniek werd eerst gebruikt bij de behandeling van volwassenen, voornamelijk kankerpatiënten. Later werd deze methode ook gehanteerd bij verschillende soorten pijnklachten.

Momenteel wordt in verschillende ziekenhuizen ook bij kinderen steeds meer gebruik gemaakt van ontspanningsoefeningen en visualisatietechnieken.

Waarom is het zieke deel daar?

Henri Vidal de Saint Germain spreekt bij het gebruik van ontspanningsoefeningen van ‘gladtrekken van het wateroppervlak’ en wil liever direct op het probleem ingaan (zie jaargang 1993, nr. 2 van dit blad). Zonder deze uitspraak te kort te doen (ik heb bewondering en grote waardering voor deze therapeut), kan ik echter zeggen dat zij kinderen dit gladtrekken veelal noodzakelijk is. Kinderen zijn in ziekenhuizen vaak angstig, hebben pijn en door de pijn wordt de angst groter of andersom en zo raken zij in een vicieuze cirkel.

Bij kinderen is het dan ook niet verstandig te graven in het probleem of te duiken in de pijn: dit vergroot de angst. Problemen kunnen beter indirect benaderd worden; bij kleine kinderen via verhaaltjes of sprookjes; bij oudere kinderen in de vorm van onder andere dier-imaginatie. Werken met delen is ook een mogelijkheid: met het gezonde deel en het zieke deel bijvoorbeeld. Bij jongere kinderen kan het gezonde deel geankerd worden aan een kleur of aan een dier en vervolgens kan er naar gekeken worden hoe het gezonde deel het zieke deel aankan. Bij oudere kinderen kunnen deze delen met elkaar communiceren: waarom is het zieke deel daar en wat heeft het te vertellen?

Bij adolescenten, in de leeftijd boven de 17 à 18 jaar, kan gekeken worden naar het verband tussen fantoompijn en rouwproces. De fantoompijn wordt minder indien er echt afscheid genomen wordt van de delen die geamputeerd zijn.

Teruggaan naar een stuk oud gevoel kan soms al genoeg zijn om kinderen weer aan het spelen te krijgen. Kinderen zijn nog erg suggestibel, zowel positief als negatief en daardoor nog erg flexibel in de zin van ‘makkelijk bij te sturen’. Werken met volwassenen gaat veelal dieper en het duurt langer voordat een gewenst resultaat behaald wordt: de patronen zijn dieper ingeslepen.

Ontspanningsoefeningen zijn een uitstekende inductie. Kinderen zijn gemakkelijk te induceren. Cladder geeft aan dat de hypnotiseerbaarheid tussen 6 en 12 jaar het hoogst is (J.M. Cladder, Hypnose als Hulpmiddel bij Psychotherapie). Hypnotische reacties zijn bij deze groep gemakkelijk op te roepen. Een voorwaarde is echter dat eerst het vertrouwen van het kind gewonnen wordt. Als het kind fobisch is, kan er gewerkt worden met desensitisatie. Dit kan gebeuren in de vorm van visualisatie of door de kinderen de angstige situatie uit te laten spelen en dit steeds te laten herhalen, tot de angst voldoende verminderd is, waarbij dan gekeken wordt wat de beer of de pop nodig heeft in de meest angstige momenten. Kinderen doen dit al van nature; als de angst echter groot is, hebben ze er begeleiding bij nodig. Het is hierbij altijd belangrijk dat de therapeut doorgaat tot de situatie weer veilig en rustig is. Soms moet het doornemen van de angstige situatie, en het herhalen ervan, verdeeld worden over verschillende sessies.

Een gele hand

Een voorbeeld van een in ziekenhuizen veel voorkomende fobie, is de ‘prik-fobie’. Met behulp van ontspanningsoefeningen, gecombineerd met visualisatietechnieken, kan de therapeut kinderen leren grip krijgen op de beangstigende situaties (kleur laten ankeren aan het meest ontspannen deel van het lichaam, na de ontspannings-oefeningen en deze kleur weer laten gebruiken tijdens een pijnlijk onderzoek. Bijvoorbeeld: hand helemaal geel maken). Door het geleerde toe te passen op het moment van een pijnlijk onderzoek zijn zij geen slachtoffer meer.

Gebruik gemaakt wordt hierbij van het dissociatievermogen van het kind. Dit dissociatievermogen is op jonge leeftijd nog sterk aanwezig; kinderen stappen in en uit hun fantasiewereldje. Werkelijkheid en fantasie lopen door elkaar en zijn soms nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Voor het kind is dit een gezonde wijze van verwerken van ervaringen. Het wordt pas een probleem als het kind ‘in de vorm van vluchtgedrag’ dissocieert (in een droomwereld stappen om iets te vermijden: bijvoorbeeld, verdriet, angst of ruzie in een gezin). Een kind kan dan patronen ontwikkelen waar het later, als volwassene, gedrags- of gevoelsproblemen mee krijgt. En het heeft dan weer een therapeut nodig om het kind in zichzelf terug te vinden.

De ouders

Naast de begeleiding van het kind, of het nu gaat om problemen die thuis of in het ziekenhuis ontstaan zijn, is begeleiding van de ouders van groot belang. In veel gevallen is het nodig dat de voorbeeldfunctie van de ouders hersteld wordt. Enkele pedagogische adviezen zijn veelal voldoende om het evenwicht in de relatie ouder/kind te herstellen. Soms is het nodig structuur in het opvoedingsproces te herstellen. Uiteindelijk is het voor het kind van het grootste belang dat het kind het gevoel heeft er te mogen zijn, zodat het een goed zelfbeeld kan ontwikkelen.

—–

Barbelo lichtte haar werkzaamheden en ervaringen enige maanden geleden uitgebreid toe in een Workshop over Kind en Hypnose (op initiatief van de SETH), waarbij zij door middel van veel praktijkvoorbeelden duidelijk liet zien hoe het werken met kinderen verschilt van het werken met volwassenen. Aangezien haar specialiteit ligt op het gebied van ‘Werken aan het Kind in Jezelf’, is haar dit zeker toevertrouwd.

Ze werkt daarbij bovendien vanuit de ontwikkelingspsychologie van Erik Erikson, naar aanleiding van zijn theorie over de ontwikkelingsfasen in de identiteitspsychologie. Het bleek tijdens de workshop leuk en verhelderend om vanuit deze ontwikkelingsfasen naar jezelf te kijken. Barbelo blijft in haar betoog steeds eenvoudig. Je voelt in haar wijze van benadering hoe zijn zich wezenlijk in de kinderen inleeft: liefdevol.

De redactie vroeg haar een artikel voor TETH te schrijven en dat heeft u zojuist gelezen. Barbelo heeft ons in een volgend artikel absoluut nog veel meer te vertellen!

Uit: Tijdschrift voor Educatieven en Therapeutische Hypnose, Najaar 1993

9e jaargang 1997 – nummer 3

Klik hier om naar de vorige pagina te gaan